Restauratie project in het Kraton in Yogyakarta

Dit verslag verscheen eerder in Au Courant  (2009)

Karton in Yogyakarta

Sinds 5 oktober 2009 woon en werk ik in Yogyakarta, Indonesië. Hier werk ik mee aan een conserverings- en digitaliseringsproject van gebonden manuscripten. Het project is een samenwerkingsverband tussen het Oriëntaals Instituut van de Universiteit van Leipzig en drie bibliotheken in Java. Het project wordt gesponsord door het cultuur en conservering programma van buitenlandse zaken in Duitsland en door de Duitse ambassade in Jakarta. Het gaat in totaal om drie verschillende collecties: die van het Kraton (sultanspaleis) en het Sonobudoyo Museum in Yogyakarta, en die van het Kraton in Solo (Surakarta). De collecties omvatten in totaal zo’n 4000 boeken, die tijdens de komende vier jaar, de looptijd van dit project, zullen worden gedigitaliseerd en beschikbaar gesteld door middel van een database op internet.

slechte conditie

Veel van de boeken verkeren op dit moment is een zeer slechte conditie, waardoor ze nog niet kunnen worden gedigitaliseerd. Daarvoor zullen ze eerst moeten worden gerestaureerd. In heel Indonesië zijn echter geen professionele opgeleide restauratoren te vinden. Dit betekent dat mensen van hier binnen korte tijd zullen moeten worden opgeleid om de meest noodzakelijke reparaties te kunnen uitvoeren. In het archief van Jakarta werken restauratoren die ongeveer één keer per jaar naar Yogyakarta komen voor een week om een aantal boeken te restaureren.

Ons ‘hoofdkwartier’ is de bibliotheek van het Kraton van Yogyakarta. De conservering van deze collectie moet het voorbeeld worden voor de andere bibliotheken. Hier werken drie mannen die vanuit andere posities binnen het paleis beschikbaar zijn gesteld voor dit project. Ikzelf ben, als enige opgeleide restaurator, verantwoordelijk voor het opstarten en aansturen van het project.

gebruikschade

Het is lastig om te kiezen waarover ik zal schrijven. Er zijn hier zoveel verschillen met Nederland! Ik zou kunnen vertellen over het werken op de grond, sociale en culturele conventies, het taal-probleem (ik spreek nog nauwelijks Indonesisch!), insecten, warmte, luchtvochtigheid, regen, schimmel, en lekkende daken, flexibele interpretaties van werktijden, het gebrek aan geld, materialen en kennis, de manier van bewaren, het enorme probleem met ijzergallusinkt, de bindwijzen van de boeken, het schoonmaken (of het gebrek eraan), de staat van de microfilms van een voorgaand project, het Javaanse schrift en de taal, de al uitgevoerde restauraties, de manier van digitaliseren, de air-conditioning, enzovoorts! Er is te veel om op te noemen!

Laat ik maar gewoon een voorbeeld geven van wat hier zoal gebeurt. Op een dinsdag, zo’n twee weken geleden, was ik druk bezig met het inventariseren van de boeken. Ik had een database gemaakt, en terwijl de andere medewerkers de boeken één voor één schoonmaakten noteerde ik de schade en maakte foto’s. We waren inmiddels tot een soort systeem gekomen: boeken met dusdanig ernstige schade dat ze eigenlijk niet meer konden worden geraadpleegd, legden we apart. Verder werden de boeken nu ook op inventarisnummer geordend in de (inmiddels goed schoongemaakte) kasten, iets dat daarvoor nog niet was gebeurd.

Wat was op deze dag nu het geval? De bibliotheek wordt, zoals valt te verwachten bij een dergelijke instelling, regelmatig bezocht door studenten en onderzoekers van de universiteit. Pitoyo, één van de projectmedewerkers, helpt doorgaans de bezoekers met het vinden van de boeken. Hij vraagt mij dan eerst om toestemming, maar omdat hij nauwelijks Engels spreekt, en ik nauwelijks Indonesisch, kunnen we elkaar eigenlijk niet verstaan, en knik ik dus meestal maar gewoon lachend. Die dag kwam een groep van vijf jonge vrouwelijke studenten naar de boeken kijken. Pitoyo pakte een aantal boeken voor ze uit de kast. Maar daar bleef het niet bij. Stapels en stapels werden aangesleept, en de meisjes gingen gretig aan het werk.

Zoveel vlijt is natuurlijk prachtig, maar tegelijkertijd werd mij op deze dag voor het eerst duidelijk wat hier nu eigenlijk werkelijk het probleem was. Want waarom hadden de meisjes eigenlijk zoveel boeken nodig? Waarom zochten ze niet specifiek naar één boek? En waarom gebruikten ze niet de catalogus? Ik probeerde dat allemaal te vragen aan Pitoyo. Gelukkig was er toevallig iemand aanwezig die een beetje Engels sprak, en me kon helpen met vertalen. De meisjes bleken studenten informatie- en bibliotheek-wetenschappen. Ze waren bezig met een opdracht voor een les, en moesten daarvoor vijf zinnen in het Javaans overschrijven uit de originele boeken.

Ik vroeg Pitoyo vervolgens om aan de meisjes uit te leggen dat ze niet op de boeken mochten schrijven, zeker niet met pen, dat ze de boeken moesten ondersteunen, en in hun geheel op tafel moesten leggen.Wat mij daaraan vooral opviel was de voorzichtigheid waarmee Pitoyo probeerde dit aan de meisjes over te brengen, terwijl hier volgens mij juist duidelijkheid gewenst was. Hij gaf ze, als oplossing, vervolgens een aantal moderne boeken als ondersteuning voor de manuscripten. Dit was het resultaat:

Die dag werd mij veel duidelijk. Niet de insecten, de warmte, luchtvochtigheid of zelf het grote gebrek aan geld was het grootste probleem in deze bibliotheek, maar juist de gebruikers, en hun omgang met de boeken. Tegelijkertijd werd ik me plotseling bewust van de uitdaging om dit, in de sterk hiërarchische Javaanse samenleving, te veranderen. Pitoyo heeft namelijk niet gestudeerd en had duidelijk grote moeite om de studenten te vertellen hoe ze het gebruik van de boeken moesten verbeteren.

Ik vind het ontzettend spannend, maar ook behoorlijk zwaar, om een restauratieproject op te zetten in Indonesië. Door het taalprobleem, maar zeker ook door de culturele verschillen, kost het heel veel tijd om uit te vinden hoe alles hier werkt, wie wat doet, en waarom de dingen gaan zoals ze gaan. In de vier maanden dat ik hier ben zullen we niet aan restaureren toekomen. Voordat daar maar aan kan worden gedacht zal er eerst regelmatiger moeten worden schoongemaakt, en worden gecontroleerd op insecten. Ook zijn er nog niet genoeg materialen voor echte reparaties. Maar vooral zullen mensen anders moeten leren omgaan met boeken.

Toch zullen er veel en ook grote restauraties uitgevoerd moeten worden om de collectie enigszins gebruiksvriendelijk te maken. Er is nog heel veel te doen en (vrijwillige) hulp van professionele restauratoren is ontzettend hard nodig. Zelf vertrek ik op 1 februari weer naar Nederland. Ik heb dan alle manuscripten in het kraton van Yogyakarta geïnventariseerd en gefotografeerd. Verder zal de collectie hier zijn schoongemaakt, en opnieuw geordend. Tot slot zal ik alles dat ik te weten ben gekomen over de drie verschillende bibliotheken bundelen in een verslag, en zo de toekomstige restauratoren informeren over de preventieve conservering ervan. Volgend jaar komen vier Indonesische medewerkers uit Yogyakarta en Solo naar Europa om te leren over boekrestauratie. Ook hoop ik dat meer restauratoren van buiten Indonesië hier naar toe zullen komen om hun kennis beschikbaar te stellen aan deze waardevolle collecties. Hopelijk maakt het werk dat we nu hebben gedaan het mogelijk om in de toekomst daadwerkelijk met restaureren te beginnen!